De toneelmeester

DE TONEELMEESTER***

Onaantastbaar, alles overtreffend en met ongekende zekerheid, dirigeerde hij bij de uitvoering van het grootse schouwspel.
Geroemd en beroemd in die dagen, tot in de uithoeken der aarde.
In dien tijd verdrong de menigten zich, van grootkunstenaar tot niemendal, om zich met vreugde aan hem te onderwerpen,
zodat zelfs het nederigste plaatsje weldra bezet was.
Want welke kenner zwicht niet voor zijn kennis en het alom gekende, en welke simpele ziel kan weigeren mee te spelen in een spektakel,
dat tot in de perfectie een tweede werkelijkheid is?
Onvoorstelbare wanorde, spijt en verdriet maakt plaats voor de vreugde die men ontving, als het einde nadert van het laatste deel.
Door de begoocheling schemert de werkelijkheid.
Men sluit de ogen, wil niet zien, is te opgewonden om te horen en men praat en praat.
In de tweede werkelijkheid.
Slechts de meester is bij zinnen en laat een nieuw spel beginnen.
Langzaam verbleekt zijn gloed, zijn aureool vervaagt, schijnbaar onzichtbare krachten pakken zich samen.
De kenners raken verschrikt, de simpele verbleekt.
's Meesters gezicht wordt rood, oranje, groen.
Angstig schreeuwt men, wat is de toneelmeester nu aan het doen?
Vurige zwaarden doorklieven de plaats waar hij staat, alles schudt en beeft, alles siddert wat leeft.
Dan, met een donderend geraas, stort het toneelgordijn omlaag.
Jammerend vlucht men weg en zoekt beschutting.
Genadeloos wordt men getroffen, struikelend en schreeuwend stuiven ze uiteen, gegeseld door een furieus geweld: het vallende gordijn. Het geweld verdrinkt zich in zijn ondergrond, de kalmte zelf, de zee der metamorfose.
Had men met het goede oog gekeken, dan had men meer van de toneelmeester geweten.
En ongemerkt neemt hij waar, met oog en oor en het ongekende weten.
Een ieder roept, zonder het hem te vragen: "De toneelmeester is dood en moet met eer begraven".
Voor zijn kist, alsof iedereen het vooraf wist, is men hout aan het zagen.
Niets is goed genoeg, men neemt alle bomen staande op de aarde.
Voor zijn graf moet men het atoom beproeven, want zo een kist vraagt een diepe groeve.
Ondertussen is men aan het proberen om zelf te dirigeren.
Met heel veel werk en zweet liet men zoeken wat men nu goed weet.
Toch is er iets verkeerd aan het gaan, ook al staat de t.v. vaak aan.
IJverig krioelt men door elkaar en wie zegt het stinkt naar gas, ik ruik de dood, die is een leugenaar.
Doch het gebrek aan zuurstof wordt al merkbaar, het werk van kistenmakers en doodgravers komt in gevaar.
Tot iemand roept als laatst gebaar: "houdt op met dat geklungel, zie de toneelmeester leeft, en is nog altijd daar".
Thl1887auteursrechten voorbehouden volgens de wet

 

 

Home